E-mail

beheerder@databasevandewaanzin.nl

Nu een kort hoofdstuk, als tussenbalans, een knikpunt tussen analyse en probleemstelling enerzijds en oplossingsgerichtheid anderzijds. Ik probeer tot de kern van mijn betoog te komen en koppel die aan de wijze waarop we met normen omgaan. Daarbij is de norm een knap berekend getal met een eenheid erachter, voortkomend uit rekensessies met dezelfde schoonheid als beschreven in hoofdstuk 5. Een voorbeeld van een norm is 55 dB(A). Dit getal stelt grenzen aan geluid. Helder lijkt mij.

Dit boek begon ik met een citaat van Albert Einstein. Hij stelde dat we problemen niet op hetzelfde niveau van denken kunnen oplossen als dat waarin de problemen zijn ontstaan. Ik voegde er meteen aan toe dat dit voor lineaire vraagstukken wel mogelijk is, wat ook geldt voor het toepassen van normen. Het is zeer zinvol het rijden van auto’s op wegen te begrenzen met een norm, zoals 100 km/uur. Rijd je harder dan dat, dan kun je worden beboet. Als ik een nieuwe woning bouw, moet de isolatiewaarde van de gevel tenminste  4,5 m2.K/W zijn. Perfect. Hoe beter de isolatie is, hoe minder warmte er verloren gaat. De relatie tussen isolatiewaarde en warmteverlies is vrijwel lineair, dus is het goed als overheid paal en perk te stellen. Eigenlijk waren de meeste normen waarmee ik tijdens mijn Delftse studie werd geconfronteerd zinvol. Hoe zwaarder een brug wordt belast, hoe sterker deze moet zijn. In het domein van de techniek is het nog redelijk verantwoord lichte krommingen te benaderen als rechte lijnen. Dat maakt het mogelijk berekeningen uit te voeren, niet onprettig als iemand met enig vertrouwen een rivier wil oversteken.

Maar als er nu sprake is van een niet-lineair vraagstuk? Wat dan? Dan komen we terecht in het domein van chaos, attractoren, repulsoren, paradoxen, emergentie en self-organised criticality, oftewel complexiteit. We ontmoeten dan natuurlijke ontwikkelingen en menselijk gedrag, wat even schrikken is. Dan moeten we toch echt anders met onze vraagstukken omgaan. Ik vat dat als volgt samen:

Kaas kun je in blokjes snijden, melk niet.

Niet-lineaire vraagstukken kenmerken zich door een andersoortige beweeglijkheid dan lineaire vraagstukken, wat vraagt om een aanpak die daar recht aan doet. Zo simpel is het. We kunnen de melk wel gaan invriezen om haar in blokjes te kunnen snijden, maar dan is zij toch echt minder drinkbaar geworden. Toch zie ik het wel gebeuren. In de afgelopen hoofdstukken heb ik aardig wat energie gestoken in het beschrijven van de werking van in- en uitsluiten. Bij alles wat we waarnemen en ondernemen, sluiten we in én sluiten we uit. Vervelende ervaringen tijdens de Tweede Wereldoorlog vormen een wezenlijk deel van ons leven, zo ook de fantasie van een kind waardoor de omgeving spannender wordt. Als een kruispunt onveilig is, kan het van belang zijn aandacht te geven aan de serveersters op het terrasje ernaast, en op het moment dat vanwege OV-normen in een verkeerscirculatieplan een klinkerstraat geasfalteerd en een bomenrij gekapt moet worden, is het niet onverstandig de trajecten van lijnbussen te bestuderen. Bij complexe vraagstukken dansen de grenzen tussen in- en uitsluiten heen en weer en op en neer, waardoor er verrassende oplossingen in beeld komen. In de werkelijke wereld hangt alles met alles samen. Door afhankelijk van de positie waarin je verkeert te reflecteren op wat (en wie) wordt ingesloten, en daarin te variëren, vergroot je de kans tot acties te komen die waarden aan de leefomgeving toevoegen.

Wat lezen we dag in dag uit in de kranten? Dat de grenzen bevroren worden. Er worden normen van toepassing verklaard op vraagstukken die juist om beweeglijkheid vragen. En wat krijg je dan? Discussies over de hoogte van de normen en de wijze waarop berekeningen zijn uitgevoerd. Op het moment dat ik dit schrijf, bevinden we ons als Nederland in de zogenaamde stikstofcrisis. De normen over stikstofdepositie die we met z’n allen hebben afgesproken ter bescherming van natuurgebieden, worden ruimschoots overschreden. Er wordt – op wetenschappelijke afstand – getoetst, waarna er schuldigen in beeld komen. De overheid stelt dat maatregelen in de landbouw onvermijdelijk zijn, want deze levert met de ammoniakuitstoot het grootste aandeel in de normoverschrijding. De boeren zijn het daar niet mee eens, rijden massaal in tractoren naar Den Haag om te protesteren en nemen een instituut in de arm dat op basis van dezelfde gegevens berekent dat de berekeningen van de overheid niet kloppen. Er ontstaan grensoorlogjes. Bijzonder vind ik dat we het bij normen hebben over ‘onze afspraken’ en als er problemen ontstaan over ‘hullie en zullie’, met verwijzende vingers naar elkaar. Wat we dan kennelijk zijn vergeten, is dat we met z’n allen in onze maatschappij een waanzin-situatie hebben laten ontstaan waarbij we ook met z’n allen voor oplossingen moeten zorgen, ook ik. Kortom, er is een verschuiving nodig van ‘die mensen’ naar ‘wij mensen’ en bijzonder genoeg blokkeren de normen dat en wordt de aandacht afgeleid van de vraag waar we het met z’n allen over moeten hebben: hoe reduceren we de ontstane waanzin? De melk is bevroren en blokje boer moet schikken. Oh ja, we gaan 100 km/uur op de snelweg rijden in plaats van 130 km/uur. Soortgelijke betogen kunnen we houden over onderwijs, de zorg en het klimaat. Mijn conclusie is dan ook:

Met generieke normen regelen we de randjes van de waanzin, maar de waanzin zelf houden we in stand.

De vooronderstelling bij het hanteren van een norm is dat alles wat zich daarbinnen afspeelt oké is. Dat geldt voor maximumsnelheden en voor isolatiewaarden, maar niet voor verschijnselen die zich manifesteren bij complexe vraagstukken. Ik durf zelfs te beweren dat bevroren regulering waanzin initieert en beschermt, voortbouwend op een citaat dat ook in mijn vorige boek staat:

‘Waar de norm begint, houdt het nadenken op.’

Nu terug naar meneer Einstein. Als we onze oplossingen niet vinden op hetzelfde niveau van denken als dat waarop de problemen zijn ontstaan, zullen we andere niveaus moeten exploreren. Welnu, met enig hangen en wurgen ben ik in het vorige hoofdstuk tot drie niveaus gekomen, drie laagjes. Het hadden er ook vier kunnen zijn, of zes, maar voor de boodschap die ik met dit boek wil uitstralen, kan worden volstaan met drie, verwacht ik zo. De drie lagen zijn:

  1. Een geheel (één met de bal);
  2. Deelnemer (op het veld staan en meespelen);
  3. Toeschouwer (op de tribune).

De voorbeelden die ik heb gegeven, illustreren dat de waanzin voor een belangrijk deel ontstaat doordat het spel teveel wordt bepaald door toeschouwers, zij die niet met beide benen in de praktijk staan.

Niet zonder verbazing lees ik hoe ons parlement iedere keer als het ergens wringt en kraakt aan de randen van onze samenleving met nieuwe wetjes komt en ervan uitgaat dat deze helder genoeg zijn voor de rechterlijke macht om het doen en laten van mensen die zich tussen onze landsgrenzen bewegen, aan te kunnen toetsen. Sowieso verbaas ik me over het feit dat er zoveel wetjes verrijzen. Mij is ooit geleerd dat de Nederlandse wet nodig is om duidelijke grenzen te stellen, zoals: gij zult niet doden. Daarbinnen ontwikkelt de overheid beleid om koersen te bepalen. Nu is het eerder andersom. Op basis van enorm veel onderzoek en heel ingewikkelde rekenpartijen stelt de overheid beleid vast en verankert dit in wetten. De wet is hierdoor een beleidsinstrument geworden in plaats van een beleidsomkadering. De wet wordt onder het beleid geschaard, in plaats van dat deze erboven staat. Dit dwingt onze rechterlijke macht om de helderheid te bieden die het beleid zelf niet verschaft, met een tsunami aan rechtszaken tot gevolg en een voor leken onbegrijpelijke spaghetti aan jurisprudentie. Volgens mij is er een heel duidelijke relatie met de omdraaiing die ik in 5.3 heb beschreven.

De oplossingsrichting om aan de waanzin te ontsnappen, is wat mij betreft duidelijk. We moeten stoppen met het volledig willen bepalen van het spel vanaf de tribune, dus is het nodig de balans tussen de drie lagen te herstellen. Je moet de verantwoordelijkheden daar leggen waar ze gevoeld worden. Daarom kom ik met drie bouwstenen. Waarom drie? Hier komt weer de oude wiskundige in mij bovendrijven. Ooit heb ik geleerd dat een vraagstuk met drie vergelijkingen en drie onbekenden oplosbaar is, met enig handrekenen op de achterkant van een sigarendoosje. Vandaar. Ik behandel ze in precies de omgekeerde volgorde van waarin ik ze in 1.5 heb geïntroduceerd. Waarom? Om gevoelens voor symmetrie. Ik wil dit boek eindigen zoals ik begonnen ben. Uiteindelijk gaat het er mij om iets zinnigs te zeggen over ons klimaatbeleid, in het laatste hoofdstuk.

De drie bouwstenen (symbiose, de adaptieve aanpak en het waarderen van ervaring) komen niet uit de lucht vallen. In de voorafgaande hoofdstukken heb ik ze reeds in de steigers gezet. Het zijn inkoppertjes dus.

1 Comment

Leave A Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *